We kennen elkaar al twintig jaar. Ze is door veel diepten gegaan. Het gaat nu steeds beter met haar. We spreken na maanden nog ’s af met elkaar, in het stadspark. Na een rondje wandelen strijken we neer op een bankje. Zij is rustiger geworden, merk ik op; jij ook, zegt ze. Het is goed zo. We kijken naar passanten, luisteren naar het kalmerende gekoer van de duiven. We mijmeren wat hardop, met stiltes ertussen, over wat er allemaal beter gaat.

Ze laat zich niet meer zo snel uit het veld slaan, merk ik. “We zitten in de tweede helft”, hoor ik haar dan opeens zeggen, “en dan wissel je van kant. Dat is goed.” Hoe komt ze daar opeens bij? Ik kijk haar verrast aan. Ze schiet in de lach. “Ja, ik heb ’s naar de voetbal gekeken en toen zag ik dat. Die mensen spelen vanuit hun kracht, samen in een richting. En die richting draaien ze halverwege om. Dat is mooi, dat helpt.” Ineens zie ik het voor me. Al die ballen naar haar hoofd, al die jaren. Het vele wat op haar af kwam en wat ze niet onder controle kreeg. Wat haar vaak omvergooide. Nu keert het zich: de bal gaat in de andere richting en als met nieuwgewonnen energie krijgt ze de bal in bezit en beweegt ze zich naar het doel aan de tegenovergestelde kant. Ze komt erin. Ze ziet zichzelf niet meer alleen staan, krijgt het spel meer in de voeten. Het is geen oorlog, niet de één aanvaller, de ander in de verdediging, maar de energieën gaan heen en weer, in team, als een spel, met veilige regels.

Wat ze bedoelt is: haar gevoel van weerloos slachtoffer zijn keert zich om naar het spel mee spelen als actieve deelnemer. Een omkering van 180 graden.

Haar beeld verrast me. Om haar spits-vondigheid. Om haar balbezit. Om de hoop en de kracht die eruit spreekt. Ze is aan haar tweede helft begonnen.