Kern van mijn werk is bij mensen zijn. Vooral bij mensen die allerlei vreselijks hebben meegemaakt en nog. Een ander deel van mijn werk is daarover vertellen. Proberen vertellen, want hoe vind je daar woorden voor. Over die vreselijke dingen, over hoe het moet zijn om daarmee te leven. Aan mensen met veel meer kansen en comfort. Dat lijken twee werelden. Hoe kan ik dat een beetje overbrengen? En wat ik doe? Of zeker ook niet doe? Hoe ik mij niet verschuil achter (schijn)oplossingen, maar blijf. Hoe ik medemens mag zijn in dat vreselijks. Hoe neem ik mensen voor wie dat ver af lijkt staan daarin mee?

Het ergst voel ik die kloof tussen die werelden tijdens het vragenuurtje na mijn verhaal. Altijd dezelfde vragen. In de strekking van: hoe hou je het vol? Met “die mensen”? Want: “dat soort mensen” gaat toch gemakkelijk over je grenzen? Ze claimen je tijd, ze vragen aandacht? Je moet toch ook nee kunnen zeggen? Neem je de miserie mee naar huis? Heb je nog privéleven? Zorg je wel voor jezelf?

Allemaal vast lief bedoeld. Maar daar lijkt achter schuil te gaan: “die mensen zijn moeilijk, eng, bedreigend, grensoverschrijdend, ongemakkelijk. Hen “helpen” is alleen weggelegd voor halve heiligen zoals jij. (Ben ik niet.) Dus niet voor ons die naar dit verhaal luisteren. Mooi werk hoor, wat je doet.” (Betekent dat: “Gelukkig dat wij dat niet hoeven doen”?)

En ik? Ik kan alleen maar denken aan Louis. En Sandra. En Marie. En Ali. En Fatima. En … aan al die mensen die mij zo dierbaar zijn. Die mij hun pijn toevertrouwen – doe het maar hè. Helden zijn ze. Geen monsters of claimers. Ze geven me respect. En zij hebben het mijne. Dankzij hen ben ik zelf een beetje minder eenzaam. In hen herken ik mijn eigen uitgestoken hand. Om dat beetje menselijkheid dat we allemaal in ons hebben en met elkaar kunnen delen, Godzijdank, in deze onmenselijke tijden. Dankzij hen houd ik de wereld en mijn eigen leven vol. Snap je dat?