Ik zit in de trein terug naar Antwerpen. Voor mij is een treinrit altijd een kans waar ik naar uitzie om te lezen. Daarom let ik er altijd op, niet in de buurt te gaan zitten van iemand die aan het bellen is. Een rustig plekje vinden wordt wel steeds moeilijker. Maar ça va, ik ga op voldoende gehoorsafstand zitten en duik in mijn boeiende boekje.

Helaas, een minuut later stapt een jongen in die vlak naast mij gaat zitten met enkel het gangpad ertussen. En hij belt. Luid. In een Afghaanse taal, vermoed ik, Dari of zo. Ik hoef in elk geval niet mee te luisteren, want ik versta er toch niks van. Zijn gsm staat op speaker, hij praat met een meisje, ze klinkt nogal emotioneel. Hij praat steeds luider en dan na een tijdje ergernis zeg ik “sssjt!” naar hem. Hij kijkt me even aan en gaat onverminderd verder. Dat maakt me wat boos. “Hela”, zeg ik, “spreek ’s wat stiller!” Meteen spreekt hij mij aan in mooi Nederlands en zegt: “Mevrouw, ik heb pijn.” Ik begrijp hem niet, hij ziet er gezond uit. Maar hij legt zijn hand op zijn hart. “U moet begrijpen, ik heb pijn.”
Ik stap inwendig onmiddellijk op de rem. “Oké”, hoor ik mezelf zachtjes zeggen en ik zwijg. Ik herken het, van onze jongeren. Er zijn er best veel met “pijn”. En ja, vaak ook nog in verband met een meisje. Ooit zei een Afghaanse gevluchte jongere tegen mij: “Petra, ik heb veel meegemaakt, maar liefdesverdriet is het allerergste. Dan komt het nooit meer goed met jou.” Toen hield ik ook verbluft mijn mond.

Ik herken ook, van mijzelf, dat je bij emotie luider gaat praten. Zo ben ik tenminste zelf ook. Als de spanning oploopt met wie jou dierbaar is, … sja, mij lukt het dan ook niet om te fluisteren.
Tegelijk, in mijn poging om mij op mijn boek te concentreren, denk ik stiekem egoïstisch: “Straks komt een stuk van dit traject met slechte ontvangst, dan stopt het gepraat vanzelf.” En inderdaad. In mijn ooghoek zie ik de jongen treurig voor zich uit staren. En, o wat is een mens tegenstrijdig, mijn moedergevoel wordt wakker, zoals wel vaker bij zulke jongeren. Jongen toch, wat heb jij allemaal al op je netvlies staan.

We naderen Antwerpen. Ik sta op en zeg zacht tegen hem terwijl ik zijn arm aantik: “Sterkte jong. Geloof in jezelf, hoe dan ook.” “Och mevrouw”, is zijn antwoord meteen, “zo is het leven. Zo is het leven mevrouw.” “Maar misschien komt het goed”, probeer ik. “Ik hoop het, mevrouw.” En even later terwjil hij achter mij aansluit om uit te stappen: “dank u wel mevrouw.” Die woorden van hem, zo’n jonge jongen, “zo is het leven”, veel te jong om dat al te weten, doen mij nu ook pijn.

Onze wegen scheiden in onze gezamenlijke stad. Weer een kleine ontmoeting waar ik van leer. Op z’n minst om niet zo aan mijn boek en aan mijzelf geplakt te zitten. Het verhaal van de ander is altijd groter.

Foto: Tojo Basu, Unsplash